Door Iris Buunk
Zo’n artistiek type met een grote blouse en een kleurige sjaal om het hoofd. Mary kwam in
het hospice, met een donkerrood gestifte glimlach, voor een respijtopname, “om aan te sterken”.
Een grote blouse om een mager lijfje, een kleurige sjaal om haar kale hoofd geknoopt. Dat dat
aansterken tussen haakjes moest was mij al snel duidelijk. Ondanks alle inspanningen van haar en
onze kant ging ze steeds verder achteruit.
Er was altijd een van haar 2 dochters bij haar, ook tijdens al onze gesprekken. Over doodgaan
werd nooit gesproken. Al mijn pogingen om te spreken over het naderende einde werden door
haar dochters afgewimpeld en Mary leek het allemaal maar te ondergaan.
Na een week of 3 trof ik haar alleen, nog altijd met die kleurige sjaal en donkerrode lippen,
in bed. Ze oogde moe, nog meer vermagerd, maar rustig, tevreden. ‘Hoe gaat het Mary?’, ‘ik ben
moe, maar het is goed zo’, ‘wat bedoel je daarmee?’. ‘Ach meisje, ik ga dood, dat weet ik wel,
maar mijn kinderen willen er nog niet aan. Ik laat ze maar, dat komt wel’. Enigszins opgelucht dat
we dit allebei wisten zetten we ons gesprek voort, van praktische dingen gingen we over in een
persoonlijker gesprek. ‘Ik heb wel zin in een TiaMaria, maar dat mag zeker niet hier?’. Op dat
moment komt een van haar dochters binnen. ‘Je moeder wil graag een TiaMaria, als je nu gaat ben
je nog net op tijd bij de slijter!’ zeg ik tegen haar met een zijdelingse knipoog naar Mary. Ze barste
in lachen uit. ‘Drink jij wel eens een borrel?’, ‘ja hoor af en toe’, ‘het hoeft ook niet he,
maar je moet altijd proosten, er is altijd wel iets om op te proosten!’, ‘waar proost je dan straks op?’, ‘
op het leven!’ zegt ze met een triomfantelijke donkerrood gestifte lach.
Ik bleef nog even bij haar tot haar dochter terug was, met de TiaMaria. Haar andere dochter
kwam tegelijk aan. Ik regelde mooie glazen in het restaurant en nam afscheid van Mary en haar
dochters. ‘Fijne avond samen’, ‘dat lukt wel’, lachten ze met z’n 3-en.
Die avond dronk Mary geen druppel, maar ze proostte wel, met haar dochters, op het leven.
Er werd gelachen, gehuild, afscheid genomen en geknuffeld.
Die avond dronk ik met mijn man een glas wijn en proostte, op het leven, en op Mary.
Mary overleed 2 dagen later, heel rustig, met een kleurige sjaal om haar hoofd en
donkerrood gestifte lippen, in bijzijn van haar dochters.
Nog altijd proosten we thuis, als we even niks weten, op het leven. En ik in gedachten op
Mary.
______


